Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

In deze gastbijdrage verhaalt voormalig planoloog van de gemeente Rotterdam, Jan van Teeffelen, over zijn herinneringen aan de kunstenaar Zadkine, het beeld de Verwoeste Stad en zijn visie op de plek.

Leestijd 21 minuten

Locatie
Categoriën
Gastbijdragen
Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Overzicht van de Schiedamsedijk vanaf het Plein 1940 in 1961.

Lex de Herder, Stadsarchief Rotterdam

"Ik ben net als mijn jeugdvrienden, een jongen van de wederopbouw, geboren in 1947. Dat wil zeggen onze ouders werkten hard aan herstel van stad en land en wij sorteerden alvast voor op het betere leven daarna. Rotterdam kende ik nog niet anders dan uit de schoolbanken. Pas later ging het schoolreisje naar de Spido, Euromast, Blijdorp en de grootste haven van de wereld. Het dorp was onze biotoop en de grote stad lag in het verschiet."

Naar aanleiding van het bezoek dat voormalig planoloog van de gemeente Rotterdam Jan van Teeffelen eind 2018 bracht aan de tentoonstelling Ossip Zadkine bij Beelden aan Zee, verhaalt hij in deze gastbijdrage over zijn herinneringen aan de kunstenaar Zadkine, het beeld de Verwoeste Stad en zijn visie op de plek.

DEEL 1 - Deurne

Jaren ‘50, Hendrik Wiegersma en Ossip Zadkine

Zadkine was in mijn jonge jaren reeds aanwezig zij het op de achtergrond. Want als jeugdvriend, buurjongen en speelkameraad ging ik samen met Hendrik Wiegersma junior op vrije woensdagmiddagen vaak naar zijn opa Hendrik senior, arts en kunstenaar. Hendrik zei dan zijn opa gedag en kreeg een kwartje in de hand gedrukt die we bij Nolleke Sep (de buurtgrutter) zouden besteden aan dropveters, zwart-wit en spekjes. Maar eerst gingen we op avontuur in de fantastische, spannende tuin: een groot labyrint van paden, bomen en planten, bloemen en beelden. Jan de Zwaan, de klusjesman van De Wieger (zowel Hendrik Wiegersma sr. als zijn huis werd zo in het dorp genoemd) was onze ‘compagnon’. Hij wist wat we zoal uitspookten, bouwde van hout en riet een geweldige hut voor ons, haalde de stroppen leeg die de boeren aan de rand van het terrein hadden aangebracht tussen de dennenboompjes. Stropen zat in de genen van de oorspronkelijke Peel bewoners. De ongecompliceerde vrijheid van het platteland.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Jeugdvrienden Jan van Teeffelen (l) en Hendrik Wiegersma jr. (r)

Collectie Jan van Teeffelen

Tijdens die dagen zag ik veel van wat Wiegersma aan kunst had staan in zijn huis en tuin. En ook waar hij zoal mee bezig was in zijn atelier. In het grote atelier stond het drieluik dat nu in de grote kerk in Deurne hangt. In zijn kleine atelier tekende en schilderde hij vooral tot aan zijn dood. Hij zal mij vast wel eens een hand gegeven hebben zo van: ‘wie bende gij dan wel?' Op z’n Brabants. Maar ik was toch vooral een snotneus onder de indruk van zijn artistieke gewicht en imponerende aanwezigheid.

Hendrik Wiegersma was bekend als medicus, pictor (expressionist), exponent van de kunstwereld tijdens het interbellum, tegendraadse denker, verzamelaar van beeldende kunst en volkskunst. Wat ik me vooral herinner is een indrukwekkende, patriarchale, van zichzelf overtuigde man. Maar ook erg intrigerend, want omringd door beelden, schilderijen en tekeningen, bijzondere planten, bomen en priëlen in zijn tuin. Zoals de moerbeiboom en de kweepeer die ik later op het gymnasium weer tegen zou komen bij Ovidius. In de periode dat ik op De Wieger kwam bestond het patiëntenbestand, althans wat ik ervan zag, uit mensen die van heinde en verre afkwamen op de ‘magie’ van de dokter/schilder. De geur van jodium en ether, terpentijn en verf op een arcadische plek.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Hendrik Wiegersma (l) en Ossip Zadkine (r) bij opening expositie in Dinghuis te Deurne, 1965

Ton Hartjens

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Hendrik Wiegersma, Deurne in 1958

Nationaal Archief, Willem van de Poll

Jaren ‘60, magie van de kunst

In de jaren zestig zat mijn buurjongen Hendrik op een internaat. Als hij in het weekend thuiskwam struinden wij met zijn Puchs het dorp en de omgeving af. Later vertrok Hendrik naar Engeland om een bestaan ‘in de paarden’ op te bouwen. Het paardenvirus had hij van zijn vader Jaap, onze buurman en eveneens arts zoals zijn vader Hendrik. Ik ging inmiddels naar het gymnasium aan de Vlierdenseweg en kreeg een nieuwe vriendenclub. Van ons ‘existentiëel clubjein Deurne maakte ook neef Tjerk Wiegersma (1) deel uit, wanneer hij tenminste thuis was op het klein kasteel. Terugdenkend aan die tijd dienen de volgende associaties zich aan: Sartre, Griekse weken op het gymnasium, Sociëteit Walhalla, West Side Story, Gauloises, Film Noir en Parijs, Camus, Bob Dylan, John Coltrane, ‘Ascenseur pour l’echafaud’, Memphis Slim, de Volvo Amazone van Piet K., de Austin A 35 van Tjerk, veel bier, en een aantal aantrekkelijke meisjes en soms verontruste ouders.

Behalve dat we goed konden feestvieren en op stap gaan bracht Tjerk de magie van de internationale kunstwereld met zich mee. Hoge en lage cultuur in één teug!

Dat hoorde bij het ‘gewone’ dorpsleven van ons, destijds met een ‘longing for the new and exciting’. Behalve dat we goed konden feestvieren en op stap gaan (Barque á Jaques in België, Paukes in Beek en Donk, Walhalla in Deurne, Sjoke van Tiel in Bakel, en de ronde tafel van de Peelpoort op de markt in Deurne) bracht Tjerk de magie van de internationale kunstwereld met zich mee: London, Madrid, Parijs, Lausanne. Hoge en lage cultuur in één teug!

(1)Tjerk Wiegersma: eigenaar van onder meer het Zadkine Research Center in Brussel.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Eindexamen gymnasium 1968; een kantelpunt, van dorp naar stad.

Collectie Jan van Teeffelen

Altijd zongen namen van beroemde kunstenaars rond die zich door de tijd heen kennelijk goed voegden in de plattelandse sfeer van een dorp aan de rand van de Peel.

Anders dan zijn opa had Tjerk de kunsthandel in de vingers. Ik herinner me exposities in het Dinghuis, het eerste museum in Deurne (2), met kunst uit het interbellum. Maar ook de eerste herdenkingstentoonstelling van Zadkine drie maanden na zijn dood. Hendrik Wiegersma, als vriend en verzamelaar, vulde een groot deel van deze expositie.

Altijd zongen namen van beroemde kunstenaars rond die zich door de tijd heen kennelijk goed voegden in de plattelandse sfeer van een dorp aan de rand van de Peel. Otto van Rees, Anton Koolen, Mathieu Wiegman, Toon Kortooms, Constant Permeke, Ossip Zadkine, Roland Holst, Joep Nicolas. Niet dat ik die mensen heb ontmoet (zij hoorden tot een generatie voor mij), maar hun faam hing als een warme deken over het dorp. In Deurne gedijde niet alleen de ‘klot' (turfklomp) maar ook de kunst. Een soort Bergen aan Zee maar dan met minder pretenties.

Er was ook een interessant meer lokaal, regionaal circuit van kunstenaars die ik wel deels (goed) gekend heb zoals Frans Jacobs, Jan van Gemert, Grad Sientje (vooral een slimme levenskunstenaar), Ton Hartjes (die ons leerde film scenario’s te schrijven), Willi Martinali, Tij Cools en Jules de Corte, een achterneef van mij. Deze hele Deurnese ‘tableau de la troupe’ heeft mijn belangstelling voor kunst en cultuur mede beïnvloed. Hoe groot de ‘k’ van al deze kunstenaars was, laat ik graag ter beoordeling aan anderen over.

Met deze bagage en nog vele andere goede herinneringen en ervaringen verliet ik het dorp richting stad.

(2) Opening 11 oktober 1965

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Onthulling van het beeld De Verwoeste Stad op 15 mei 1953 door J.M. van Walsum-Quispel , de vrouw van de burgemeester.

Nationaal Archief

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Plan voor een World Trade Center aan de Schiedamsedijk

Collectie Paul Groenendijk

DEEL 2 - Rotterdam

Jaren ‘80 tot '10, het beeld en de locatie van De Verwoeste Stad

Begin jaren ’80 ging ik aan de slag in een stad die voor de uitoefening van mijn vak als planoloog ideaal en uitdagend was, Rotterdam. Stadsontwikkeling, stedenbouw, architectuur, planologie als werkzaam recept voor een platgegooide, weder op te bouwen, te vernieuwen havenstad.

In Rotterdam kwam ik ‘Zadkine’ wederom tegen, zij het nu in levenden lijve als indrukwekkend, krachtig beeld. Ik zag het beeld voor het eerst aan de nog tamelijk lege Leuvehaven. Met mijn werk stond ik aan de kant van de steeds verder verdichtende binnenstad en dus de steeds wijzigende context waarin het beeld op die locatie stond. De eerste daad (niet van mij maar van het bestuur van Rotterdam) met grote impact, was het aanwijzen als locatie, het ontwerpen en bouwen (periode ’81 -’86) van het Maritiem museum door Quist. Daardoor kreeg het beeld aan de westkant een rugdekking die het ook meteen van de binnenstad afsloot en grotendeels vanaf die kant aan het zicht onttrok. Dezelfde argumentatie die Zadkine hanteerde (overigens met andere woorden) bij zijn keuze voor deze plek, deed ook opgeld voor het Maritiem Museum: op het snijvlak van stad en haven, het ruime zwerk erboven, met zicht op het water en de binnenstad, ingekaderd door het ‘venster op de rivier’, in het directe zicht, dus van de Rotterdammers en de bezoekers van de stad.

In Rotterdam kwam ik ‘Zadkine’ wederom tegen, zij het nu in levenden lijve als indrukwekkend, krachtig beeld.

De spanning tussen beeld versus bebouwing, tussen monument versus stad begon vanaf die tijd langzaam op te lopen. Voor het Maritiem Museum zijn er plannen geweest (architectenbureau SOM uit de USA, 1968) om een World Trade Center op te richten langs de Schiedamsedijk, aan de westkant dus van het beeld. Geen gering volume in de plannen die zijn weerslag zou hebben gehad op de verdere ‘minimalisering’ van Zadkine.

Gezegd moet worden dat de stad zich na de oorlog tot medio jaren ’80 met haar ‘rug naar de rivier’ manifesteerde. In 1953 was het hele gebied ten zuiden van het beeld in feite een binnenstedelijk ‘bedrijfsterrein’, nauwelijks stad te noemen. Er werd niet gewoond, uitsluitend gewerkt. In die tijd – de naoorlogse jaren - kwam het besef naar boven dat Rotterdam hiermee aanzienlijke kansen voor verdere ontwikkeling liet liggen. Met andere woorden, de blik van Zadkine op de haven, de kades, de kranen en de Hollandse luchten stond ook aan verandering en herinterpretatie bloot. Dat veranderende perspectief en stedelijk decor gold overigens niet alleen voor de rechter-, maar ook voor linker Maasoever.

De blik van Zadkine op de haven, de kades, de kranen en de Hollandse luchten stond ook aan verandering en herinterpretatie bloot.

Onder het motto van ‘Het Nieuwe Rotterdam’ werden diverse ambities (cultureel, economische, sociaal) verbonden en geconcentreerd en zodoende kregen de binnenstad en de Kop van Zuid de aandacht en de investeringen die ze nodig hadden. Parallel hieraan kreeg ook de openbare ruimte (straten pleinen, parken, routes) meer aandacht, naast de tot dan toe grote fixatie op het geheel van fysieke bebouwing.

Zadkine ’kijkt ondertussen toe’ en wacht af waar dit alles toe zal leiden.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Verplaatsing van het beeld De Verwoeste Stad, 1975

Nationaal Archief, Bert Verhoeff

'Lieu de mémoire' keert terug

Toen ik voor de stad aan de slag ging, was geschiedenis niet echt een onderwerp van research en gesprek. De stad was erg gericht op de toekomst. Reeds voor het bombardement was er een verlangen naar het moderne Europa en een idee hoe daarbij aan te sluiten. Aan de Coolsingel was daar al een begin mee gemaakt. Breed, representatief, modern. De boulevard was het woord dat al die stedelijke ambities samenvatte. Van reconstructie van het oude, historische en negentiendeeeuwse stadsweefsel is nooit sprake geweest. Moderniteit was in Rotterdam een dwingende vorm, veel meer dan een serieuze opgave (3).

Men ging de gelaagdheid van de stad gaandeweg meer waarderen en inzetten als extra kwaliteit voor projecten en gebiedsontwikkelling. Exit tabula rasa.

Ook van een traditie van herdenking was nauwelijks sprake. Bouwputten en bouwkranen droegen bij aan de tastbare realiteit en identiteit. Daarin lag de ziel van de stad. Pas begin deze eeuw is daar een kentering in gekomen. De stad begon zichzelf tegen te komen, in zijn eigen staart te bijten. Dat wil zeggen, niet langer bepaalde de meest recente toevoeging aan de stad het debat en het ontwerp. Wat de stad inmiddels geworden was en de kwaliteiten die daaruit voortvloeiden, vond steeds meer waardering. Zo ook de monumentaliteit, de wederopbouw en de brandgrens als zichtbaar litteken en aanhechtingspunt van de voor- en naoorlogse stad. Men ging de gelaagdheid van de stad gaandeweg meer waarderen en inzetten als extra kwaliteit voor projecten en gebiedsontwikkelling. Exit tabula rasa.

(3) Vraag aan Wim Pijbes: Waarom beklijft er volgens u zo weinig in Rotterdam?
,,Dat heeft denk ik te maken met het bombardement. Het is als een trauma, waarbij de patiënt ontkent wat er gebeurd is en zich gedraagt alsof er niets gebeurd is. Rotterdam wil juist naar voren, júist modern. Dat doet de stad zó hardnekkig dat alles wat aan de geschiedenis doet denken, wordt ontkend”.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Granieten steen op zithoogte met ingetekende Brandgrens en informatie over mei 1940

west8

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Rode icoon met Duitse bommenwerpers, groene icoon zonder

west8 en Opera Ontwerpers

De brandgrensmarkering

Op 14 mei 1940 werd het hart van Rotterdam vernietigd. De twaalf kilometer lange brandgrens omsluit het verwoeste gebied. Zeventig jaar later is deze grens in de stad fysiek gemarkeerd. Brandgrens 1930 – 2010 is de omvattende publicatie (4) waarin de ratio en de emotie van deze gebeurtenis wordt gedocumenteerd. Markering in de stad, boek in de hand.
Het boek gaat niet over de oorlog en het bombardement, maar brengt de lezer terug naar een stad die niet meer bestaat. Hij wandelt in gedachten langs het tracé van de brandgrens en is ooggetuige van het Rotterdam in de jaren dertig en de eeuw ervoor. De lezer ervaart de spanning van een stad die op de drempel staat van een nieuwe tijd en wil moderniseren, maar die tegelijkertijd door een hevige crisis wordt geplaagd.

Op 14 mei 2010, 70 jaar na het bombardement, is de markering van de brandgrens door de gemeente in de stad aangebracht, als het ‘lieu de mémoire’ van de 21eeeuw. De markering is ontworpen door bureau West 8 Urban Design & Landscape Architecture. Het ontwerp bestaat uit LED-armaturen die op de brandgrens in het plaveisel zijn ingegraven. In het armatuur zit een icoon dat s ’avonds wordt verlicht. Dit icoon dat door West 8 in samenwerking met Opera-Graphic Design is uitgewerkt, bestaat uit vlammen waarin brandende panden, het silhouet van een Heinkel bommenwerper en van het beeld De verwoeste stad van Ossip Zadkine zijn verwerkt. Het beeldrecht is gekocht van de erven Zadkine (5). Op het Noordereiland is het icoon niet rood zoals op de brandgrens op de Rechter Maasoever, maar groen en hierin ontbreekt ook het silhouet van de bommenwerper. De verwoesting hier is namelijk veroorzaakt door eigen vuur, ‘friendly fire’.

(4) Koos Hage, Paul van de Laar e.a.: Brandgrens 1930 2010: mei 2010, Uitgeverij Toth

(5) i.c. Museum Zadkine in Parijs.

Op het Noordereiland is het brandgrens-icoon niet rood zoals op de Rechter Maasoever, maar groen en ontbreekt het silhouet van de bommenwerper. De verwoesting hier is namelijk veroorzaakt door eigen vuur, ‘friendly fire’.

Binnen de brandgrens verrees de nieuwe stad, die een groot contrast vormt met het Rotterdam van de jaren dertig. Brandgrens Rotterdam 1930 – 2010l aat zich daarom het beste samenvatten als: één lijn – twee steden, de stad uit het interbellum en de moderne stad die na 1945 is ontstaan. Het is in zekere zin een ‘zichtbaarheidsproject’; het maakt een onzichtbare laag van de stad beter voorstelbaar. Daarbinnen vormt ‘De verwoeste stad’ als beeld en monument als het ware het epicentrum. Op een plek die met gevoel voor die laag gekozen is en die nog steeds ‘sense of place’ heeft.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Andere beelden met een gedenkfunctie vlnr De Dokwerker (Mari Andriessen), De Burgers van Calais (August Rodin), Monument op de Dam (Jan Willen Rädeker), Guernica (Pablo Picasso).

Internet

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

'Sence of place'

Begin deze eeuw voltooide de dienst Stedenbouw een studie die in de zeer Rotterdamse traditie van ‘vers en veel beton’ een kantelpunt in de gangbare stedenbouw markeert. ‘Sense of Platte’: Atlas van de culturele ecologie geheten (6). Dit gaat over de omslag van de geplande- naar de doorleefde stad. Van de ‘blokken stad naar de straten stad’. De stad wordt daarin niet alleen gezien als een optelsom van artefacten, een conceptuele constructie van gebouwen, boulevards, iconen, zichtlijnen en ‘skylines’. Het is, mede door de inmiddels ver gevorderde verdichting en hergebruik van panden en buitenruimte, een plek waar mensen ten gevolge van hun dagelijkse routines steeds een wisselende betekenis aan geven. Het is een stad op ooghoogte, gezien, ervaren en gewaardeerd door haar gebruikers. Een stad, die niet alleen dankzij beleid en planning vorm krijgt, maar ook ondanks dat, door een zekere eigen dynamiek. Dat heeft ook zo haar repercussies voor Zadkine, het beeld en de locatie. Sense of place is vooral een pleidooi voor een methode van stadsontwikkeling en stadsbeheer die rekening houdt met de genius loci van plekken in de stad.

Het is desondanks niet vreemd en in zekere zin in lijn met een Rotterdamse traditie om dingen in de stad te verplaatsen, dat mensen begonnen over de vraag: staat hij daar wel goed? In zekere zin een oude ‘ordenings’reflex.

Er passeren in die (verplaatsings)discussies een aantal andere locaties. Natuurlijk zou je nu, los van de historische gelaagdheid van de stad, kunnen zeggen dat een plek direct voor het nieuwe Centraal Station voor de hand liggend is. Want gekenmerkt door grote zichtbaarheid, veel publiek, prachtige buitenruimte, hoofd entree van de binnenstad. Maar dan is de insteek toch vooral citymarketing, een beetje I Amsterdam’- achtig, alleen dan op zijn Rotterdams. Het Stadhuisplein dan? Te veel onder de ‘adem van de politiek’ en onder de ‘walm van bier en vermaak’ op het Stadhuisplein denk ik. Geen goed idee. Als je de Brandgrens publicatie leest, staat hij op Plein 1940 echter op de juiste plek. Zadkine zit daar als het ware ‘in de grond’.

(6) Sense of Place, atlas van de culturele ecologie van Rotterdam: dienst Stedenbouw Rotterdam 2004, coördinatie en redactie Jan van Teeffelen.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Drie inspiratiebronnen voor een uitdagende opgave.

Stad op ooghoogte

Als verdere uitwerking van Sense of Place werd wat later een methode van ‘placemakingontwikkeld waarbij een verschuiving van de ‘birds’eye’ stedenbouw plaatsvindt naar het perspectief van de gebruikers en bezoekers van de stad. ‘De kwaliteit van de openbare ruimte is de ruggengraat van een duurzame, zich verdichtende, ‘liveable’ en ‘loveable’ stad.

Goede steden, plekken waar je graag langer wilt verblijven, menselijke maat en interactie met gebouwen en straten, eigenaarschap bij gebruikers, ‘placemaking’ en goede plinten (een actieve begane grond) en een aanpak waarbij de gebruikerservaring centraal staat – dat is waar de stad op ooghoogte om draait’(Stipo (7)). The City at Eye Level is een internationaal programma en een open netwerk van kennis en ervaringen. Het bevat ‘best practice’s van alle continenten en kijkt breed naar ‘placemaking’ en de hele beleving van de openbare ruimte. Stipo is de organisator en spil hiervan. In Rotterdam met een moderne, op de toekomstgerichte binnenstad is deze benadering extra urgent. De toepassing ervan heeft inmiddels al de nodige resultaten opgeleverd. De vernieuwde, ‘extended’ Coolsingel (naar ontwerp van Adriaan Geuze) en alle (semi-)openbare ruimten die daaraan verbonden zijn, vragen bij uitstek om deze benadering. Vanuit dit perspectief is voor Zadkine en Plein 1940 een kritische reconstructie, gecombineerd met een lange termijn visie en beter begrip voor de historische gelaagdheid en beleving van de stad, is op zijn plaats.

(7) STIPO: www.stipo.nl

DEEL 3 - Kan het beter?

Ja: middels creatieve destructie kan dat. Dat klinkt wat vreemd, want aan destructie geen gebrek in de geschiedenis van de stad. Daar staat echter tegenover dat door het verdwijnen, weghalen of wegdenken van iets er iets waardevollers voor in de plaats gecreëerd kan worden. Zie het als een scenario en kijk ver vooruit (8).

‘Stel dat…’: ik de regie zou hebben dan zou ik als volgt kunnen redeneren:

  • Kijkend vanuit het perspectief van de stad op ooghoogte, dat van de gebruikers en bezoekers van de stad, vooral de voetganger, dan is de huidige invulling van de kop van de Leuvehaven met het Maritiem Museum een ‘gemiste kans' van de eerste orde.
  • Kijkend vanuit het perspectief van de gebombardeerde stad staat ‘La ville detruite’ wel erg alleen en verstopt als hét ‘lieu de memoire’ van de stad.
  • Kijkend vanuit het perspectief van ‘sence of place’ is de eigenheid (de ‘genius loci’) van Plein 1940 volstrekt onderbelicht, niet ten volle benut. De vorm en de positie van het Maritiem museum vormen een ‘dissatisfier’ van de eerste orde.

(8) Zie citaat laatste pagina.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Impressie van de huidige povere beeldkwaliteit en belevingswaarde.

Jan van Teeffelen

Zonder de eigentijdse kwaliteiten van architect Quist tekort te doen (hij bouwde veelal binnen tijds- en geld budget, zij het sober), is het een norse, introverte, defensieve driehoekige box (een interieur gebouw) met een overigens prachtige inhoud. Het is een schoolvoorbeeld van de ‘objecten stad’ in plaats van de ‘straten stad’. Het ‘experience’ gehalte is laag. Het refereert niet aan de historische gelaagdheid van de stad ter plekke.

Het gebouw van het Maritiem Museum is een schoolvoorbeeld van de ‘objecten stad’ in plaats van de ‘straten stad’.

Men zou kunnen proberen omwille van de beleving, vindbaarheid en expressie het complex binnenste buiten te keren. Dat zou lapwerk betekenen. Beter is dit object te weg te ‘denken’ en de plek onderdeel te maken van een uitdagende nieuwe opgave (9). Het plan voor de Coolsingel komt al met een uitbreiding/doortrekking van het representatieve profiel tot over de Schilderstraat cq. de verlengde Witte de Withstraat.

De argumentatie voor die nieuwe uitdaging zit in een gecombineerd pleidooi ontleend aan de benadering van de stadsontwikkelingsopgave vanuit perspectieven die tamelijk recent zijn ontwikkeld als aanvulling op de tot dan geldende formele en conceptuele stedenbouw: ‘stad op ooghoogte x brandgrensproject x sense of place’.

(9) Het budget van de Stichting Droom en Daad is naar verluid schier onuitputtelijk.

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Projectie van een zich verdichtende ‘skyscraper’ stad: een roep om ‘groundscraper’ kwaliteit! Bij de pijl het beeld van Zadkine.

Kaart Ruimte & Wonen, Stadsontwikkeling 2017

De binnenstad van Rotterdam zal steeds verder verdichten. In alle aantrekkelijke steden is dit het geval. De kwaliteit en dus houdbaarheid van die dichtheid is sterk afhankelijk van inrichting, gebruik en betekenis van de openbare ruimte. Dus naast de ‘volume opgave’ is er ook de opgave van gebiedsontwikkeling en ‘placemaking’. Daarbij kan wat betreft de beoogde locatie energie ontleend worden aan de volgende, belangrijke kenmerken. Het gaat daar immers om het ten volle benutten van het volgende potentieel ter plekke:

  • Plein 1940; een zeer prominente, beladen locatie in de binnenstad,
  • Kruising Blaak – Coolsingel; verkeersstromen richting rivier,
  • Het scharnierpunt tussen landstad en waterstad; centrum, Baankwartier, Wijnhaveneiland,
  • Het venster op de rivier; beeldkracht en ruimte,
  • De uitloper van de vernieuwde, representatieve Coolsingel; Schiedamse dijk hoort er nu bij,
  • Het epicentrum van de vernielde stad; de kracht en bekendheid van het beeld,
  • Een belangrijke positie aan de hoogbouw zone in ontwikkeling; wat geeft die terug aan het maaiveld,
  • En de keuze van de kunstenaar zelf; noblesse oblige.

De opgave zou dan de volgende kunnen zijn:

  • Deblokkering van een van de belangrijkste plekken in de stad,
  • Herstel van de visuele en openbare kwaliteit van plein 1940 en kop Leuvehaven,
  • Herschrijving van het ruimtelijk script van de gebombardeerde stad aldaar,
  • Toevoeging van een krachtig nieuw plein aan de vernieuwde Coolsingel – Schiedamse Dijk en in de zich verder verdichtende binnenstad,
  • Onderzoek naar bebouwing en programmering van de locatie plein 1940 ter hoogte van de overkluizing van de Leuvekolk ten zuiden van de Blaak (10),
  • (Terug)verplaatsing van het beeld van Zadkine naar de vrijkomende ruimte aan de kop van de Leuvehaven.

(10) Een mooie, hoge (super slender)toren met op de top een klein ‘wederopbouwmuseum’ met een 1 op 1 uitzicht op de veranderende stad beneden en een kleine marina onder de voet. Wellicht een herstel van de waterdoorgang?

Zadkine, de kunstenaar, het beeld en de plek

Inspiratiebeelden ter illustratie van een verbeterde grondkwaliteit

Dat betekent dus: niet dezelfde vrijkomende grond gebruiken voor een nieuw (woon)project! Geen benadering van grondopbrengsten, maar gebiedsontwikkeling. Inzetten op een krachtige, betekenisvolle buitenruimte met het beeld als uitroepteken in een vernieuwde context.

Wat dan te doen met de prachtige maritieme collectie? Net zo makkelijk als er gedacht en gewerkt wordt aan de expositie van depotkunst van Boijmans, kan dat voor de maritieme collectie, maar dan elders. In de ‘iconomie’ (een mede door een opeenvolging van gebouwde iconen gedreven ontwikkeling van de stad) niet eens een gek idee. Centraal Station staat daarin voor mobiliteit, Markthal voor commercie, ‘the bowl’ in aanbouw (van MVRDV) voor kunst, De Rotterdam voor modern stadsleven, de Erasmusbrug voor verbinding en een nieuw Maritiem Centrum voor de haven?

Het aanwijzen van een mogelijke locatie als onderdeel van de clusterstrategie uit het Binnenstadsplan van 1993-2000 ligt dan voor de hand.

Ga dus door op wat er op de Kop van Zuid al is en daar verder nog op de rails staat. Een stevig maritiem getint cluster met onder andere Hotel New York, Rijnhavenbrug, Pakhuis Meesteren, Fenixloodsen, Katoenveem, World Port Centre, SS Rotterdam, Oud Katendrecht, een nieuw landverhuizers museum, de Binnenhavens, de Watertaxi hub, de Cruiseterminal, een rondje Rijnhaven wellicht met de nodige ‘stepping stones’ en veel water, kades, boten, teer- en visgeuren en mooie vergezichten. Verdere reanimatie van de oude havenziel van de stad is daar een prominente opgave. Ook hier de ‘genius loci’ van de havenstad als uitganspunt nemen.

Zadkine komt met de trein. Hij heeft een tussenstop in Rotterdam en ziet door het raam van de trein "...een enorme, sombere vlakte voor zich: geen enkel huis. Alles was verwoest." Wat hij zag, was een verwoeste stad, een stad zonder hart.

Slot

In de lente van 1947 (mijn geboorte jaar) nodigt Wiegersma Zadkine uit voor een bezoek aan Deurne. Zadkine komt met de trein. Hij heeft een tussenstop in Rotterdam en ziet door het raam van de trein “...een enorme, sombere vlakte voor zich: geen enkel huis. Alles was verwoest." Wat hij zag, was een verwoeste stad, een stad zonder hart (11). In Deurne kreeg hij voor het eerst de inspiratie voor wat in Nederland zijn bekendste beeld zal worden.Se non è vero, è ben trovato.’

Straks kan hij postuum ervaren dat zijn magnus opus opnieuw en prominent deel uit maakt van de hernieuwde, gelaagde en historisch bewuste binnenstad. Hopelijk maak ik dat nog mee. Tussen droom en daad…

Met dank aan ‘Zadkine’ en de inspiratie die hij mij gaf, als beeld en als kunstenaar, direct en indirect, toen en nu, als herdenking en als perspectief op de toekomst van de stad.

Jan van Teeffelen, mei 2019

(11) Uit: Ossip Zadkine en Hendrik Wiegersma, een vriendschap: Lex van Haterd, Museum De Wieger 2016

De betekenis van 'De verwoeste stad' als monument en kunstwerk is zo groot als de ruimte die men het geeft.

Rien Vroegindeweij: 'De verwoeste stad’ 1953 - 2003.