Rotterdam in Nood!

Een artikel van Paul Groenendijk over noodwoningen, noodwinkels en andere noodgebouwen ten tijde van de oorlog, de wederopbouw en het heden in Rotterdam.

Leestijd 16 minuten

Categoriën
Algemeen
Rotterdam in Nood!

De Noorderkanaalweg met de noodwoningen van het Utrechtse Dorp.

Lex de Herder, Stadsarchief Rotterdam

Noodwoningen, noodwinkels en andere noodgebouwen

Rotterdam lijkt met de grootste wooncrisis sinds de wederopbouw te kampen. Tot 2030 zijn er meer dan 53.000 woningen nodig om de crisis te bestrijden, terwijl de huurprijzen de pan uit rijzen. Als een van de genoemde oplossingen werd door de gemeenteraad in november 2018 een motie aangenomen om drieduizend betaalbare prefab-appartementencomplexen te bouwen met een tijdelijk karakter. Rotterdam is weer in nood...

Dakloos

Bij het bombardement van mei 1940 werden naar schatting 77.000 inwoners dakloos. Hele straten met woningen waren verwoest. Behalve woningen waren er ook allerlei winkels en bedrijven verwoest. En bioscopen en cafés. Juist de voorzieningen die in het centrum te vinden waren. Hoewel er natuurlijk direct aan het wederopbouwplan werd gewerkt, de mensen moesten immers direct onderdak vinden, moesten er ook tijdelijke voorzieningen worden gerealiseerd. Zo verrezen er noodwoningen, noodwinkels, noodkantoren en zelfs een noodschouwburg. Ook na de bevrijding werden nog vele semipermanente projecten gebouwd, in afwachting van een definitieve oplossing.

Rotterdam in Nood!

Gezicht op het Brabants Dorp in 1963, met op de achtergrond het Sportfondsenbad, de Groote Schouwburg en de Zuidpleinflat.

Ary Groeneveld, Stadsarchief

Noodwoningen

De belangrijkste opgave was de acute woningnood van de 77.000 daklozen en 5000 teruggekeerde gedemobiliseerde militairen. De Gemeentelijke Technische Dienst ging ervan uit dat ongeveer 10.000 mensen, vooral alleenwonenden, zelf huisvesting zouden vinden. Verder waren er in de stad circa 7500 leegstaande woningen en ook nog eens 1000 leegstaande woningen in de randgemeenten. Bij een gemiddelde woningbezetting van 3,6 zouden ongeveer 30.000 mensen op deze wijze een woning kunnen vinden. Verder waren 23.000 mensen in andere gemeenten opgevangen, deels bij familie, deels in beschikbare woningen. Resteerden dus 19.000 mensen die acuut geholpen moesten worden, omgerekend toch nog ruim 5300 woningen. Sommige mensen bivakkeerden in volkstuinhuisjes of op bootjes, dus haast was geboden. Vele daklozen waren afkomstig uit de krottenwijken rond de Goudsesingel. Zij werden voor een deel als asociaal beschouwd en werden in nooddorpen aan de rand van de stad geconcentreerd.

Het eerste bezoek van dr. Völckers (1) gold de noodwoningen aan het Noorderkanaal waaraan thans reeds de laatste hand wordt gelegd. Zooals ir. Witteveen mededeelde, ontstaat hier een aardige wijk van totaal 385 huisjes, waar talrijke dakloozen uit de binnenstad gezonder en prettiger zullen wonen dan vroeger in hun nauwe, ongezonde straten en stegen. Deze wijk zal een landelijk karakter dragen; daartoe worden de straten en pleintjes tusschen de huizenrijen met groen opgevroolijkt. De woningen zelf -de grootere zoowel als de kleinere, want er is gerekend op groote en kleine gezinnen- krijgen het aanzien van gezellige landhuisjes.

Rotterdamsch Nieuwsblad 21 augustus 1940

(1) De Duitse dr. Carl Völckers was door Reichskommissar Seyss-Inquart in het begin van de bezetting aangesteld als Beauftragte om toezicht te houden op het gemeentebestuur.

Rotterdam in Nood!

Bouw van de noodwoningen van het Utrechtse Dorp in 1940.

Stadsarchief Rotterdam

Rotterdam in Nood!

Sloop van de noodwoningen van het Gelderse Dorp in april 1961.

Stadsarchief Rotterdam

Van het Drentse tot het Brabantse Dorp

Er zijn op verschillende plekken noodwoningen gebouwd. Aan het Noorderkanaal bij de Gordelweg werden het Drentse Dorp, het Gelderse Dorp en het Utrechtse Dorp gebouwd; de namen waren afgeleid van de straatnamen. De 188 woningen van het Drentse dorp waren van hout. Ze waren al in september 1940 klaar. In 1941 volgden het Utrechtse dorp met 119 stenen woningen en het Gelderse dorp met 159 stenen woningen.

Het Brabantse Dorp bij het Zuidplein was het grootst. Er waren 525 woningen en zelfs een paar winkels en een wijkcentrum. Er was steenachtig materiaal gebruikt dat uit puin was gewonnen. Het Brabantse Dorp was in 1941 klaar en is in 1966 gesloopt voor de bouw van het Ikaziaziekenhuis, het metrostation en winkelcentrum Zuidplein. Er bestaat nog steeds een actieve vereniging van oud-bewoners.

Rotterdam in Nood!

Semipermanente woningen in Wielewaal in 1949.

Stadsarchief Rotterdam

Rotterdam in Nood!

Interieur van een noodwoning in Smeetsland.

Lex de Herder, Stadsarchief Rotterdam

Semipermanente wijken

Twee andere complexen zouden eerder als semipermanente woningbouw dan als noodwoningen kunnen worden betiteld. Bij Zestienhoven kwam de - nog steeds bestaande - wijk Landzicht met 200 woningen en in IJsselmonde Smeetsland met 515 woningen. De bouw van Smeetsland startte op 19 december 1940; de wijk is rond 2010 gesloopt. Ook na de oorlog werd er nog een semipermanente wijk van ruim 500 woningen gerealiseerd: Wielewaal. Er was een wijkcentrum, een café en een klein winkelcentrum. Wielewaal was bedoeld voor vijfentwintig jaar, maar bleek een prettige woonbuurt. Met succes dwongen de bewoners diverse opknapbeurten af, ondanks dreigende sloop. Na een jarenlange bewonersstrijd lijkt het lot van Wielewaal anno 2019 bezegeld. De locatie was aantrekkelijk voor nieuwbouw en zonder ingewikkelde onteigeningen beschikbaar.

Lichte bouw

Alle tijdelijke wooncomplexen bestonden uit een-laagse woningen in rechthoekige blokken. Door de lichte bouw waren er geen dure funderingen nodig. De eerste woningen kostten f 3,50 (€1,59) per week. Bij een afschrijvingstermijn van 15 jaar was dit niet kostendekkend. Er kwam een rijksbijdrage voor de tekorten. De noodwoningen hoefden niet aan de minimumeisen uit de Woningwet te voldoen en waren vaak piepklein, soms minder dan 40 vierkante meter.

Rijksevacuatiekamp Veenhuizen

In de Hongerwinter hadden de bewoners van de houten huizen van het Drentse Dorp het heel erg slecht. Ze stookten grote delen van hun huis op tegen de kou. Ook werden huizen van stervenden afgebroken en opgestookt, soms zelfs voor deze overleden waren. De verbijsterende woonomstandigheden waren na de bevrijding aanleiding om rigoureus in te grijpen. Een aantal gezinnen werd in juli 1945 door militairen van hun bed gelicht, ze werden gewassen en geschrobd, tegen schurft behandeld, gekleed en vervolgens in het geheim gedeporteerd naar een ander Drents dorp: Rijksevacuatiekamp Veenhuizen. Daar moesten ze resocialiseren.

In het televisieprogramma Andere Tijden kwamen leden van de familie Roodbol aan het woord. Zij voelden zich ‘verbannen naar de concentratiekampen van Sociale Zaken.’

Ik heb ons nooit asociaal gevonden. Mijn vader en broers hebben altijd gewerkt. Asocialen zijn voor mij mensen die nooit een slag hebben uitgevoerd, terwijl ze het wel kunnen. Wij zijn door het bombardement alles kwijtgeraakt en daardoor in de moeilijkheden gekomen.

Henk Roodbol, Andere Tijden 24 maart 2013

Rotterdam in Nood!

Advertentie voor de opening van de noodwinkels aan de Goudsesingel op 18 december 1940.

Noodwinkels

Zo treurig als het verhaal van de noodwoningen is, zo optimistisch is de geschiedenis van de noodwinkels. De verwoesting van de binnenstad had voor het winkelbestand grote gevolgen, vooral voor de warenhuizen en grootwinkelbedrijven. Alleen van de Bijenkorf stond nog een deel overeind; het gebouw kon na herstelwerkzaamheden weer open. Er werden twee speciale noodwinkelcentra gebouwd. Veel winkeliers van de Noordblaak gingen samen verder in Dijkzigt, ter plekke van het huidige Nieuwe Instituut. Een andere concentratie van winkels was aan het Bentinckplein. Hier konden winkeliers een eigen gebouw zetten.

Rotterdam in Nood!

De winkeliers van de Coolsingelgalerij presenteren zich gezamenlijk.

Hier! Niet elders, 1941

Rotterdam in Nood!

Het noodwinkelstraatje aan de Coolsingel voor het Postkantoor.

Stadsarchief Rotterdam

Stroken voor zes jaar

Verder waren er stroken noodwinkels op verschillende plekken in de stad: op de Coolsingel voor het Postkantoor en ter hoogte van de Passage, op het Westplein, de Goudsesingel, de Vlietlaan, de Lusthofstraat en de Jericholaan. In totaal werden er 223 kleine noodwinkels gebouwd, in rijtjes van vijf tot tien en in grootte variërend van 25 tot 72 vierkante meter. Deze winkels konden van de gemeente worden gehuurd. Bij het ontwerp werd uitgegaan van een levensduur van zes jaar. De constructie was simpel: een betonnen vloer en borstwering, buiten- en binnenwanden van gebikte sloopstenen en houten daken, vloeren en kozijnen. Zelfs in deze barre tijden werden de winkels verlevendigd met beeldende kunst: aan de Coolsingel waren beeldhouwwerken van Han Richters en er waren vrolijke uithangborden en wandschilderingen. De eerste noodwinkelstraat bij het Postkantoor werd al op 4 oktober 1940 geopend.

Rotterdam in Nood!

Winkels en Martin’s cafetaria aan de Statenweg in noodwinkelcentrum Blijdorp.

Stadsarchief Rotterdam

Rotterdam in Nood!

Opening noodwinkelcentrum Blijdorp op de hoek van Bentinckplein en Statenweg.

Rotterdamsch Nieuwsblad 14-11-1940

Houten decorgevel

In het Blijdorp-complex werd ondanks de schaarste aan materialen en de beperkte tijd een feestelijk geheel gecreëerd. Sommige panden hadden maar één verdieping, maar deze kregen een houten decorgevel. Door de witgeverfde of -gepleisterde gevels had het geheel een optimistische uitstraling. Bekende namen onder de ruim zestig winkels hier waren de Hema, De Klerk, Galeries Modernes en Esders.

Het Dijkzigt-complex werd gebouwd op het nog onbebouwde Land van Hoboken en sloot deels aan bij de bestaande winkelbebouwing van de Nieuwe Binnenweg. Aan de Jongkindstraat lieten de winkeliers van de Noordblaak de architecten Van Tijen & Maaskant en Margry een gezamenlijk ontwerp maken. Aan de voorkant van de winkels was een voetgangersgebied, aan de achterzijde was de dienstingang en de bevoorrading. Een echte expeditiestraat.

Negen bekende Rotterdamsche firma's, wier magazijnen vroeger aan den Noordblaak waren gevestigd, hebben haar deuren voor het publiek heropend. Ze zijn thans ondergebracht in een complex noodwinkels in de Jongkindstraat op het voormalige land van Hoboken. Deze nieuwe winkelstraat is zeer gunstig gelegen en zij zal zeker een groot gedeelte van het winkelend publiek, dat vroeger zijn schreden naar de Noordblaak richtte tot zich trekken.

De Banier 26 oktober 1940

Rotterdam in Nood!

Winkels van de Noordblaak-winkeliers aan de Jongkindstraat in noodwinkelcomplex Dijkzigt.

Stadsarchief Rotterdam

Rotterdam in Nood!

Rijen mensen voor Elysée aan de Mathenesserlaan in noodwinkelcomplex Dijkzigt in 1946.

F.H. van Dijk, Stadsarchief Rotterdam

Blauwdruk voor Lijnbaan?

Het Dijkzigtcomplex was snel gebouwd en werd al op 25 oktober 1940 geopend. Doordat met lichte materialen moest worden gewerkt en er geen woningen boven de winkels zaten, konden de architecten zich uitleven in de gevels. Er werd ook geëxperimenteerd met eilandetalages. Sybold van Ravesteyn ontwierp een zwierige gevel en interieur vol krullen voor de firma Eckhart. Ter Meulen en Wassen hadden een gezamenlijk ontworpen pand. Verder waren hier Vroom & Dreesmann, Peek & Cloppenburg en C&A gevestigd.

Het Dijkzigt-complex was bijzonder in trek. Het noodwinkelcomplex vormde min of meer een blauwdruk voor de Lijnbaan. Ook het populaire straatje met aan weerszijden noodwinkels voor het Postkantoor wordt gezien als inspiratiebron voor de Lijnbaan.

Rotterdam in Nood!

Sloop van de noodwinkels aan de Goudsesingel in februari 1947

Nationaal Archief

Rotterdam in Nood!

Sloop van de noodwinkels aan de Coolsingel, 12 augustus 1957

Herbert Behrens, Anefo, Nationaal Archief

Last shop standing

De noodwinkels bleven veel langer staan dan gepland. De noodwinkels voor het postkantoor werden pas in 1968 gesloopt. De twee grote noodwinkelcomplexen Dijkzigt en Blijdorp werden in 1953 grotendeels gesloopt, maar de laatste panden aan de Nieuwe Binnenweg bleven zelfs tot 1976 staan. Ze maakten uiteindelijk plaats voor het stadsvernieuwingsproject de Boogjes van Pietro Hammel. Er is nog één noodgebouw over: restaurant Old Dutch aan de Rochussenstraat.

Rotterdam in Nood!

Restaurant Old Dutch is inmiddels gemeentelijk monument.

Targaryen - Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=17741658

Noodschouwburg

Veel theaters en bioscopen in het centrum waren verwoest; alleen Luxor en Arena waren blijven staan. Op 16 augustus 1940 werd de noodschouwburg Casino aan de Rochussenstraat vlakbij het GEB-gebouw geopend. Het houten gebouw met een capaciteit van 850 plaatsen had eerder als reisschouwburg van de Nationale Revue gediend. Het bouwwerk was al zeventig jaar in gebruik. Een succes was Casino niet, want eind september werd de zaak al verbouwd tot een Duits georiënteerd centrum voor vermaak en variété: Ober Bayern.

Rotterdam in Nood!

Noodtheater Casino werd omgedoopt in Ober-Bayern.

Rotterdams Nieuwschblad 30-09-1940

Rivièrahal, Koninginnekerk en Ahoy

Voor toneel en muziekuitvoeringen kon ook gebruik worden gemaakt van de in 1940 gereedgekomen Rivièrahal in Diergaarde Blijdorp en de Koninginnekerk in Crooswijk. Vanaf 1950 was ook één van de hallen van de tentoonstelling Ahoy bruikbaar. In 1954 was er een befaamde uitvoering van de Achtste Symfonie van Gustav Mahler door het Rotterdams Philharmonisch Orkest en elf Rotterdamse koren, waarvan zelfs een plaatopname verscheen. De tentoonstellingshallen waren zo populair dat ze werden verplaatst. De Ahoyhal ging naar het Heliportterrein en werd tot de opening van sportpaleis Ahoy aan het Zuidplein gebruikt voor beurzen en manifestaties. De Energiehal van E55 werd verplaatst naar de Abraham van Stolkweg en pas in 1999 gesloopt.

Rotterdams nieuwe Schouwburg, welke is ontworpen door de architecten Sutterland, is in den waren zin des woords uit het puin herrezen. Men heeft n.l. bij den bouw uitsluitend gebruik gemaakt van baksteenen, afkomstig uit het puin van de Maasstad, welke men later heeft schoongebikt, en het is dan ook duidelijk aan den niet egalen kleur van het bouwwerk te zien, dat men zich van oud materiaal heeft bediend. Rotterdams nieuwe Schouwburg was oorspronkelijk als noodtheater bedoeld, doch tijdens de uitvoering heeft men in het bouwplan belangrijke verbeteringen aangebracht: er werd o.a. een foyer in den kelder gebouwd, terwijl men steeds meer aandacht ging schenken aan het tooneel, de zaal en hun accommodatie.

Algemeen Handelsblad 28 december 1946

Rotterdam in Nood!

De tijdelijke Schouwburg aan de Aert van Nesstraat.

Stadsarchief Rotterdam

Nieuwe schouwburg

De architecten vader en zoon Sutterland maakten al kort na het bombardement een ontwerp voor een nieuwe schouwburg. De bouw kwam moeizaam op gang en werd in 1943 stil gelegd en pas op 10 januari 1947 was de Schouwburg klaar. Toen de als tijdelijk bedoelde schouwburg in de jaren tachtig zou worden gesloopt, leidde dit tot onverwachte sentimenten en protesten. Het was mogelijk zo’n uit het puin afkomstige afgebikte baksteen van het gebouw, met echtheidscertificaat, te kopen als herinnering.

Rotterdam in Nood!

De fameuze dancing Cascade aan de tunneltraverse in 1950.

Stadsarchief Rotterdam

Cascade, Alcazar en Tarantella

Nabij de Casino Schouwburg was een vermaakscentrum met dancings en restaurants gepland, die aan weerszijden van de net aangelegde tunneltraverse werden gebouwd. Op 24 december 1940 werd het door P.D. van den Bergh ontworpen café-restaurant Cascade geopend, in Rotterdam meestal uitgesproken als Kaskadee. Eraan verbonden was de dancing Alcazar. In februari 1941 was ook de dancing Tarantella aan de oostkant van de tunneltraverse klaar. Volgens het Rotterdamsch Nieuwsblad was Rotterdam ‘een luxueus établissement rijker geworden, waarbij men allesbehalve aan het begrip „noodgebouw" denkt.’ Tarantella werd later brauhaus Monopole, daarna de Prinses Margrietclub, vervolgens de Schuur en ten slotte Habanera.

Rotterdam in Nood!

Advertentie voor dancing L’Ambassadeur aan de Tunneltraverse.

De Maasstad 1948

Rotterdam in Nood!

Tekening van het noodtheater Palace aan de Zomerhofstraat.

Rotterdams Nieuwschblad 20-3-1941

Rotterdam in Nood!

Feestgebouw Palace in 1946.

Stadsarchief Rotterdam

Rotterdam in Nood!

In 1965 werd gebouw Palace nogal bruut verbouwd.

Jan Voets/ANEFO/Nationaal Archief

Te luxe voor noodbedrijf

Naast Habanera werd een maand later het noodgebouw voor L’Ambassadeur gebouwd naar ontwerp van D. Dürrer. Volgens het Rotterdamsch Nieuwsblad was deze dancing moeilijk te kenschetsen als een noodbedrijf. ‘Want zoowel bouw als inrichting dragen het stempel van een verzorging, welke men vroeger alleen bij gelegenheden van permanenten aard zou hebben aangetroffen.’

De Cascade, die nog enige tijd als vetkuivencafé onder de naam Las Palmas in gebruik was, moest wijken voor de uitbreiding van de HTS. De twee andere dancings verdwenen tijdens de bouw van de Medische Faculteit in 1966. L’Ambassadeur betrok nieuwbouw aan de overkant aan de ’s-Gravendijkwal.

Aan de Zomerhofstraat werd tijdens de oorlog feestgebouw Palace gebouwd, een ontwerp van de Rotterdamse architect J.P.L. Hendriks. Het gebouw bleef tot in de jaren tachtig in gebruik. Ook Palace kreeg een Rotterdamse uitspraak: Pallasee.

Rotterdam in Nood!

Bioscoop Lutusca op het Kruisplein; op de achtergrond de Lijnbaan en de Noodschouwburg.

Lex de Herder, Stadsarchief Rotterdam

Rotterdam in Nood!

Artist’s impression van noodbioscoop Lutusca.

De Maasstad 1946

LuTuSca

Om het tekort aan bioscoopzalen tijdelijk te pareren realiseerden drie Rotterdamse bioscopen, Lumière, Tuschinski en Scala kort na de bevrijding samen een tijdelijk bioscoopcomplex: LuTuSca. Het eveneens door architect J.P.L. Hendriks ontworpen gebouw, was voor vijf jaar bedoeld. Het stond midden op het Kruisplein. Volgens het tijdschrift Rotterdam Bouwt vormde het gebouw een sinistere entree tot de stad: Natuurlijk moeten wij in zooverre blij zijn met noodgebouwen, dat zij het zalentekort verhelpen. Maar Lutusca, gezien van het station, wekt den indruk, dat er weer Duitschers zijn, die een grooten bunker bouwen.

LuTuSca werd op 20 december 1946 in gebruik genomen. Zoals de meeste noodgebouwen bleef het langer staan dan gepland; pas in 1959 werd het gesloopt. Toen waren aan de Kruiskade de nieuwe bioscopen Thalia en Lumière klaar en Corso in aanbouw.

In 1945 werd ook een houten noodtheater naar Rotterdam vervoerd om aan de Kruiskade op te bouwen, ter plekke van de huidige Doelen. Door een najaarsstorm eind 1945 stortte het skelet van dit Metropole Theater in. Pas eind 1946 was het restaurantgedeelte van het bouwwerk gereed. In 1949 ging Metropole failliet. In de jaren daarna was hier restaurant de Gastronoom gevestigd.

Rotterdam in Nood!

Flitsende artist’s impression van de noodkantoren aan de Blaak.

De Maasstad 1949

Banken

Van de meeste banken was de kluis blijven staan. In de restanten van de bankgebouwen of in noodvoorzieningen ging het werk door. De ASRO nam eerst zijn intrek in de Gemeentebibliotheek en later in het kantoor van de Nederlandsche Bank aan de Coolsingel.

Noodkantoren

Ook voor kantoren werden tijdelijke complexen opgericht. Het Stadstimmerhuis was gevestigd in een houten noodgebouw van 10 bij 76 meter bij de Veemarkt. Aan de Zwartehondstraat in het Wijnhavenkwartier werden rond 1950 houten kantoorbarakken gebouwd, die tot in de jaren zeventig in gebruik bleven.

De ruim veertig bogen onder het Hofpleinviaduct werden in 1941 dichtgezet, waardoor hier bedrijfsruimte werd gecreëerd. Vlakbij werd een deel van het Zomerhofkwartier bestemd voor tijdelijke bedrijfshuisvesting. De eenvoudige, lichte gebouwen werden op de funderingen van verwoeste woningen geplaatst. Aan de Coolhaven kwamen tien door het Rijk beschikbaar gestelde hangars voor bedrijven die niet in de binnenstad mochten terugkeren. Vijf hangars aan het Haringvliet waren voor andere bedrijven. Met de aanleg van industriegebieden als de Sluisjesdijk en de Spaanse Polder werd haast gemaakt.

In afwachting van de bouw van een stationspostkantoor werd in 1940 een tijdelijk gebouw bij station Delftsche Poort gebouwd.

Noodbarak ziekenhuis

Het Coolsingelziekenhuis was deels getroffen. Er werden in 1951 twee barakken bijgebouwd. Pas in 1961 was het nieuw Dijkzigtziekenhuis klaar en werden de restanten van het ziekenhuis afgebroken. Alleen een oude plataan en een poortje op het Lijnbaanplein herinneren nu nog aan het ziekenhuis.

Rotterdam in Nood!

Protest tegen sloop Koninginnekerk aan de Boezemsingel, 1972

Nationaal Archief, Anefo, Rob Mieremet

Noodkerken

Het bouwen van kerken had na de oorlog aanvankelijk geen prioriteit. Woningen en bedrijfsruimte waren van meer belang. Tijdens het bombardement waren 24 kerken verwoest. Vanaf de jaren zeventig zijn overigens vanwege de ontkerkelijking meer Rotterdamse kerken gesloopt, met als dieptepunt de sloop van de Koninginnekerk aan de Boezemsingel in 1972.

Veel kerkgenootschappen hielden kerkdiensten in school- of gymnastieklokalen of zaaltjes. Sommige betrokken in afwachting van nieuwbouw een tijdelijk gebouw. De Baptisten kregen in 1950 een houten kapel in de Ridderstraat achter het Hofplein, gefinancierd door een Amerikaanse schenking. Ook de Steigerkerk maakte tot de nieuwbouw klaar was gebruik van een groenhouten noodgebouw aan de Hoogstraat bij het treinviaduct. Buiten het centrum lagen de hervormde houten Bethlehemkapel uit 1948 in de Blankenburgstraat, gesloopt in 1966, en de Helvetiakapel aan het Lisplein uit 1946, die in 1959 naar Lisse werd verplaatst. De eerste nieuw gebouwde kerk na de Tweede Wereldoorlog was overigens de Lutherse Andreaskerk aan de Gordelweg uit 1949.

Rotterdam in Nood!

Voorbeeld van een Finse school in Voorschoten

1949, Nationaal Archief, Averink

Noodscholen pas na de oorlog

Wat betreft schoolgebouwen kwam de ruimtenood pas na de Tweede Wereldoorlog. Door de bevolkingsexplosie steeg de vraag naar lagere scholen, niet alleen in Rotterdam, vanaf 1952 explosief. De bouw van nieuwe scholen had echter aanvankelijk geen prioriteit; veel kon worden opgelost met grotere klassen in bestaande gebouwen. De gemeente kocht in 1948 een twintigtal barakken van de geallieerden, zgn. Nissenhutten, die door gemeentearchitect B.M. den Hollander tot schooleenheden werden getransformeerd. Twee uit gebogen spanten opgebouwde barakken werden aan weerszijden van een middengang gelegd, met golfplaten bekleed en van grote ramen voorzien in de buitengevels. De scholen bestonden uit twee keer drie leslokalen voor 42 leerlingen. Ze stonden onder andere aan de Noorderhavenkade, het Nachtegaalplein en in Wielewaal. Ook bestelde de Rijksoverheid in 1948 vijftig houten bouwpakketten in Finland. In Rotterdam kwamen zes van deze Finse scholen. Tot ver in de jaren zestig bleven noodscholen en noodlokalen een vertrouwd gezicht. Zo werd in Blijdorp pas in 1979 gestart met de bouw van een permanent scholencomplex.

In 1950 werden enkele houten gebouwen van de Ahoy’-tentoonstelling verplaatst naar de Mariniersweg om te gaan dienen als huisvesting voor de Christiaan Huygensschool voor horloge- en fijn-instrumentmakers. Het gebouw werd gesloopt toen de school naar het Technikoncomplex verhuisde.

Rotterdam in Nood!

Noodgebouwen uit het straatbeeld?

Zoals hierboven te lezen is, heeft Rotterdam ontzettend veel variaties in noodgebouwen gekend. De meeste met de bedoeling slechts enkele jaren te blijven staan, maar meestal toch veel langer dan gepland was. De Wielewaal spant de kroon, maar de bewoners in deze wijk zijn zo gehecht geraakt aan de opzet en bebouwing dat zij liever reparaties en renovaties van de eenvoudige woningen wilden dan dat het karakter van de wijk verloren zou gaan. Uiteraard speelde hier ook de hoogte van de huur een rol. In juni 2018 bepaalde de rechter dat de wijk toch gesloopt mocht worden. Een nieuwbouwproject, met veel minder sociale huurwoningen en meer hoogbouw komt op deze plek terug.

Hiermee lijkt vanaf 2019 Old Dutch het enige overgebleven noodgebouw in Rotterdam te zijn. En resteert van de noodwoningcomplexen alleen nog Landzicht bij Zestienhoven. Tenminste, wat de wederopbouw betreft. Want als de plannen doorgaan, wordt de woningbehoefte van 2019 deels opgevuld wordt met de drieduizend kant-en-klare woningen om de krapte op de woningmarkt het hoofd te bieden. Voor starters, agenten en leraren. Levensduur van de woningen? Tien jaar. Of zullen ze er, net als de noodgebouwen uit de wederopbouw veel langer staan?