• Artikelen

Politieman in de wederopbouw

Gert-Jan van de Beek heeft de Rotterdamse wederopbouw vooral vanuit zijn functie als politieman meegemaakt.

Gert-Jan-van-de-Beek2

Vanuit een zonnig jaren-zestigappartement met uitzicht op de Erasmus Universiteit steekt Gert-Jan van de Beek, oud politie-commissaris van wal. Geboren in 1924 heeft Gert-Jan zowel de oorlog als de wederopbouw meegemaakt.

Van onderduiker naar politieagent

Ik begon de eerste maanden zonder uniform of fiets. Die waren er nog niet. Zo arm was de politie toen.

Gert-Jan zat tijdens de oorlog ondergedoken in de omgeving van Barneveld. Met een vals persoonsbewijs werkte hij als wachtsman bij de Nederlandse Spoorwegen in Amsterdam. Als kind van verzetsstrijders was Gert-Jan duidelijk niet bang uitgevallen. Het was dus niet vreemd dat Gert-Jan na de oorlog ging leren voor het spannende beroep van politie-inspecteur. Na in december 1946 zijn diploma behaald te hebben, werd hij op 1 februari 1947 in Rotterdam aangesteld als adjunct-inspecteur. “Ik begon de eerste maanden zonder uniform of fiets. Die waren er nog niet. Zo arm was de politie toen.” De uitrusting was sowieso minimaal. “Je had alleen een gummistok en een pistool.” Zijn eerste werkzaamheden waren nog niet zo spannend en bestonden vooral uit verbalen nakijken, corrigeren en kijken of de agenten op tijd de rondes deden.

Nationaal Archief Nieuw uniform politie

Oud en nieuw uniform voor Rotterdamse politie naast elkaar (1961)

Henk Lindeboom, Anefo/Nationaal Archief

Hoekje van de Baan

“De voetagenten hadden vaste looproutes van ongeveer vijf kilometer. En bij de Baan had je een doodlopend stuk, dan moest de agent het zelfde stuk terug lopen. Het Hoekje van de Baan, heette dat.” Later toen hij als chef het surveillancerooster van de post Eendrachtsplein bekeek, bleken de agenten vooral in het park te surveilleren en amper in het roerige Oude Westen. “Dat moest anders!” De roosters werden op Gert-Jan zijn bevel aangepast. Gert-Jan vertelt geanimeerd over de agenten van weleer. “Je had ook de zogeheten rijwielagenten. Zij hadden rondes van 12 kilometer. En alle agenten droegen destijds een cape! Op het bureau stonden toen van die metalen kasten die warm gestookt werden met gaskachels. Als het dan regende en een fietsagent kwam zeiknat binnen, was de cape in één uur droog.” De diensten waren niet mals, agenten hadden elke vier dagen nachtdienst. “Dat was slopend!” Maar wat er ook gebeurde, hij bleef altijd goedgehumeurd. “Ik heb nooit de pest ergens in.”

De diensten waren niet mals, agenten hadden elke vier dagen nachtdienst.
Van de Beek in het Oude Westen (1973)
Van de Beek Oude Westen tekst krant

Moordbrigade het saaist

Gert-Jan maakte carrière bij de politie en werkte bij verscheidene afdelingen waaronder de zedenpolitie. Na zijn huwelijk, want als vrijgezel was dat verboden. De saaiste tijd van zijn politieleven beleefde hij bij de moordbrigade. “Amsterdam was een misdaadstad. Rotterdam niet. De twee jaar dat ik bij de moordbrigade zat was er niet 1 moord. Niet één.” De meest enerverende tijd beleefde hij toch in het Oude Westen in de jaren zeventig. In die tijd was de bevolking zeer gekant tegen het gemeentebestuur met hun sloopplannen om er een kantorencentrum van te maken. De bewoners wilden in hun wijk blijven wonen, maar eisten wel vernieuwing. Niet onterecht, na het bombardement vluchten vele mensen naar het Oude Westen. Dichtbevolkt en slecht onderhouden, stond de wijk bekend als een krottenwijk. De bevolking ging met luidsprekers de straat op en de politie, waaronder Gert-Jan stond paraat. Hij liet de megafoons in beslag nemen waarop een eigenaresse riep: “U bent een grote slapjanus! Dienaar van de burgemeester!” Gert-Jan antwoordde toen rustig: “Blijf dat vooral zeggen, maar als je straks weer een luidspreker hebt, neem ik die gewoon weer in beslag.” Het was laveren geblazen om de onvrede in goede banen te leiden.

U bent een grote slapjanus! Dienaar van de burgemeester!

Wees de baas van de straat!

Later was Gert-Jan als chef van district Centrum verantwoordelijk voor de Stadsdriehoek, Cool, Baankwartier en het Oude Westen. Hij dreunt de aantallen op: “130 agenten, 18 brigadiers, 7 inspecteurs, 3 adjudanten en 1 baas. Dat was ik.” Het Baankwartier was een rustig wijkje. De Witte de Withstraat was destijds een slechte straat. “Een kroegenstraat is nooit goed.” Er was een familie die de hele buurt terroriseerde. Kroegbazen waren bang om de politie te bellen. Gert-Jan heeft op onorthodoxe wijze zijn agenten duidelijk gemaakt dat ze de baas moesten zijn van de straat. Hij lacht als hij het verhaal vertelt: “Ik zei wel altijd dat ze voorzichtig moesten zijn. Want als je voor de rechter komt, kan niemand je redden. Zo had ik meer van die dingetjes.”

Een kroegenstraat is nooit goed.