- Artikelen
Kunst waarvoor geen gebruiksaanwijzing nodig is
“Het paard! Zoals het daar afsteekt tegen de wijde lucht, schijnt het soms te zweven in de blanke ruimte en tegen drijvende wolkengevaarten. In zijn rust en kracht is het een symbool, niet alleen van de handel, maar ook van vrijheid, durf, optimisme en hoop, ja, vooral van hoop op een goede toekomst. Misschien zal men straks aan de bezoekers van de Maasstad vragen: ‘En het paard? Heb je het paard-op-het-dak gezien?’.” Zo lovend schreef De Tijd in 1951 over het Twentsche Ros, een gevelplastiek dat Cor van Kralingen in 1948 had gehouwen. Het stond op de dakrand van de door Van der Steur ontworpen Twentsche Bank aan de Blaak. Ja, bewees het paard toen, de wederopbouw kwam eraan: kijk maar naar hoe glorieus dit paard boven alles uittorent.
Dat was een welkom gevoel zo kort na de bevrijding. De wederopbouw was nog een wat abstracte belofte want Rotterdam was een moedeloos uitziende zandvlakte. Het waren de banken die als enigen nog geld hadden en begonnen te bouwen. Eind jaren veertig verrezen drie reusachtige bankgebouwen aan de Blaak en kunstenaars kregen opdrachten. Het Twentsch Ros dat Van Kralingen er maakte, was een prestatie. 17.000 kilo kalksteen zegt de ene bron, 25.000 kilo de andere, wat Van Kralingen met de hand uithakte, geholpen door kunstenaar Adri Blok. Vijf jaar na voltooiing sierde het in 1953 een toeristische affiche ‘Rotterdam 1953 een nieuwe stad’ waarin een wederopbouwrondrit werd aangekondigd.
Het paard werd een vroeg symbool van de aanstaande wederopbouw maar juist toen die ook écht vruchten ging afwerpen, raakte datzelfde Twentsche Ros op de achtergrond. 1953 bleek namelijk ook het jaar te zijn dat de Verwoeste Stad van Zadkine werd onthuld en zo’n combinatie van expressionisme en kubisme symbool zou worden voor de nieuwste kunst, die steeds abstracter werd en het paard zijn voortrekkersrol verloor.
En Van Kralingen hield niet van abstracte kunst. Hij was academisch opgeleid, in een traditionele stijl, en zou een academisch kunstenaar blijven. “Zolang als de modes met de twintig jaar veranderen, vind ik ze niet belangrijk genoeg om ze te volgen. Van wat vroeger modieus was, is nu niet veel meer dat telt,” zei hij in 1965 tegen het Rotterdams Nieuwsblad. “Je gaat bij zo’n monument uit van ellende en tragiek. Maar ik ben van nature niet theatraal en zo ontstaat toch iets rustigers.”
Een classicist, noemde het Rotterdams Nieuwsblad hem en die klassieke aanpak loonde, sinds hij in de jaren dertig was begonnen met beeldhouwen na zijn avondopleiding aan de academie in Rotterdam. Overdag werkte hij bij een grafisch bedrijf en vanaf 1935 was hij illustrator voor de Varagids, tot 1960, en hij illustreerde boeken.
Hij exposeerde bij Museum Boijmans Van Beuningen en de Rotterdamsche Kunstkring en hij kreeg opdrachten voor beeldhouwwerk. Na het Twentsche Ros ontwierp hij in 1955 acht sculpturen voor de Hofpleinfontein die een cadeautje aan de stad door scheepvaartbedrijf Van Ommeren was. Dat had al in 1939 zijn honderdjarig bestaan gevierd en wilde wel een cadeau geven, om Rotterdam te bedanken voor de samenwerking, maar door de oorlog lukte dat nu pas. Architect Koops ontwierp de fontein met achthoekig bassin, Van Kralingen omlijstte dit met acht water- en landdieren, zoals een nijlpaard, een kronkelende zeeslang, exotische vissen, waarvan één half in de vangarmen van een inktvis. Hij houwde alles uit mosselkalksteen. Gesitueerd op de hoeken van het bassin bevatten ze ook goten voor de waterafvoer.
“De natuur was voor mijn opvatting van de meeste betekenis,” stelde hij op de vraag welke invloeden of kunstenaars voor hem het meest van betekenis waren. Zijn fraaie elegante stijl had decoratieve eigenschappen en zeggingskracht. Dat was te zien in de graf- en oorlogsmonumenten die hij maakte. In 1958 werd onder grote belangstelling aan de Goereesestraat zijn Treurende Vrouw onthuld. Het stenen beeld van de ineengedoken vrouw is een uiting van stil verdriet ter herdenking van de fusillades die daar in de oorlog hadden plaatsgevonden. Het is een kunstwerk dat een beroep doet op de empathie van het publiek, net zoals zijn Vallende Man en Vrouw met Duif bij de oorlogsgraven in Crooswijk. Met een vredesduif in haar armen knielt de vrouw op een stenen sokkel waarin een bronzen kastje zit met de spreuk ‘Sterker door Strijd’ en een register met 677 toen bekende namen van slachtoffers van de oorlogsbombardementen.
Hij schilderde ook, ontwierp penningen en gobelins. Polychrome beelden zou hij ook nog maken maar in feite is het de eenvoudige ingetogen steen- en bronsplastiek, het naakt met name, waarin hij excelleerde. Of, zoals hij het zelf onomwonden opschreef op een formulier over zijn kunstenaarschap bij ‘aanvullende gegevens’: “Heeft altijd geprobeerd werk te maken waarvoor geen gebruiksaanwijzing nodig is.”
Ook buiten de stad kreeg hij opdrachten maar vooral zijn vallende man kreeg een zeer opmerkelijk buitenlands vervolg. Een exemplaar ervan kwam als herdenkingsmonument terecht op een Nederlands erekerkhof in Frankijk, bij Orry la Ville, waar vanaf 1958 bloemen werden gelegd, en volgende exemplaren in Oslo, Hamburg, Salzburg en in Frankfurt bij stoffelijke overschotten van gesneuvelde Nederlanders.
In 1971 nog maakte hij een plaquette voor de recent overleden stedenbouwkundige Cornelis van Traa voor in het Timmerhuis, verder liepen de opdrachten terug en deed hij het rustiger aan. Hij woonde in Rhoon, al sinds hij in de jaren dertig zijn atelier aan het Hang in Rotterdam had opgegeven. Vanuit Rhoon verhuisde hij op het eind van zijn leven nog naar Mijnsherenland waar hij overleed. In 1994, jaren na zijn overlijden, was er speciale aandacht voor Van Kralingen. De Archiefwinkel wijdde een duo-tentoonstelling aan hem en zijn zoon Rein, ook kunstenaar.
“Er zal wel geen Rotterdammer zijn die nooit in aanraking is geweest met het werk van Van Kralingen,” meldde de aankondigingstekst van de tentoonstelling. Van zoon Rein hingen er gouaches, van vader Cor waren er foto’s, penningen, drie beelden en een schaalmodel van het Twentsche Ros: het spraakmakende kunstwerk waarmee het destijds allemaal zo glorieus was begonnen.
Werken in opdracht in Rotterdam tijdens de wederopbouw
- Gedenkplaat Ds. Abraham Rutgers, Laurenskerk. Z.j. Intact?
- Keramische reliëfs. Vreewijk. 1941-44. Intact.
- Het Twentse Ros. Steen. Blaak, 1948. Intact.
- Gedenksteen Tweede Wereldoorlog. Erasmus Universiteit, hal Theil-gebouw C, Burgemeester Oudlaan 50. 1948. Intact?
- De Vallende man. Algemene Begraafplaats Crooswijk. 1950. Intact.
- Gebouw Dijckhoff, architect Elffers. 1951. Verdwenen.
- Waterdieren Hofpleinfontein. Mosselkalksteen. 1955. Intact.
- Zestien reliëfs met geleerden. Bezoekershal Dijkzigt Ziekenhuis, Dr. Molewaterplein 36. 1958. Intact (herplaatst in Erasmus MC).
- Treurende Vrouw. Steen. Goereesestraat. 1958. Intact.
- Zittend meisje. Beton. Caland Lyceum, Argonautenweg. 1962. Intact.
- Kangoeroe. Bronsplastiek. Plaswijckpark. 1963. Intact.
- Knielende vrouw met duif. Brons. Algemene Begraafplaats Crooswijk. 1965. Intact.
- Januskop. Algemene Begraafplaats Crooswijk. 1969. Intact?
Bronnen
‘Het paard op het dak’, De Tijd, 8 augustus 1951; ‘Van Kralingens nieuwe monument voor Crooswijk’, Rotterdams Nieuwsblad, 3 april 1965 en 5 april 1965; G.W.J. Nieuwenhuis-Verveen, Standbeelden, monumenten en sculpturen in Rotterdam. Rotterdam, 1972; Bertus Schmidt, ‘V. Kralingen heeft z’n job gedaan, Het Vrije Volk, 9 april 1976; J.A.C. Tillema, ‘Cornelis Jan van Kralingen (1908-1977)’, Rotterdams Jaarboekje 1978; Siebe Thissen, Beelden, Rotterdam 2016; RKD Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, map PDO; Bkor.nl
Geschreven door Sandra Smets.
- Kunstenaar
- Cor van Kralingen (1908 – 1977)
- Kunstenaar
- Cor van Kralingen