• Artikelen

Artistieke bioscoopboer

Als zoon van de bioscoopeigenaar Piet Meerburg rolde Krijn in het vak van filmdistributeur, exploitant en vervolgens eigenaar. Jarenlang was hij, net als zijn vader, directeur van LantarenVenster en eigenaar van Cinerama.

Krijn Meerburg1

Krijn Meerburg voor de teruggevonden houtpanelen.

Amsterdamse Rotterdammert

Als telg van verzetsstrijder en theaterondernemer Piet Meerburg is Krijn opgegroeid in Amsterdam, tevens zijn huidige woonplaats. Toch heeft Krijn 30 jaar in Rotterdam gewoond en gewerkt. In die periode ontpopte hij zich als een belangrijke Rotterdammer. In de bioscoop- en theaterbranche verwierf Krijn Meerburg faam doordat hij onder andere als eigenaar van Cinerama en directeur van LantarenVenster de alternatieve filmtheaters weer op de kaart zette. Bij zijn vertrek als directeur van LantarenVenster in 2017 werd zijn carrière bekroond met ‘De Rotterdammert’, een onderscheiding voor personen die zich vanuit hun functie bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de stad.

International FilmFestival Rotterdam

De tijden zijn veranderd, Krijn komt niet vaak meer in Rotterdam. Eén van de redenen om in elk geval terug te keren naar de Rotterdamse theaters is het filmfestival. De afspraak kon precies tussen twee films van het IFFR ingepland worden. Het festival ligt hem na aan het hart. “Ik werkte in 1972 bij de eerste editie van het filmfestival, toen nog Film International. Wethouder De Vos zou openen en vroeg hoeveel mensen er in de zaal zaten. ‘Een man of veertig’ werd hem medegedeeld terwijl het er maar 28 waren. Toen zei De Vos: ‘Daarvoor ga ik niet openen!’ en is weer gegaan.” Krijn lacht, het is een mooie anekdote voor een festival dat in 2018 ruim 319.000 bezoekers trok. “Er waren in ’72 ook maar 17 films. En de affiches waren een soort stencils. Het is nog lang schraal geweest.” Toch staat Nederland bekend om het goede art-house filmklimaat. “Er is geen land in Europa waar zoveel aanbod is.”

Bioscoopboeren

De bioscoopgenen heeft Krijn van zijn vader geërfd. Aan het einde van de oorlog richtte Piet Meerburg in Amsterdam een onafhankelijke studentenbioscoop op: Kriterion. De rechtenstudent Meerburg had tijdens de oorlog gezien dat veel studenten hun studie moesten afbreken, waaronder hijzelf. Het plan ontstond om een theater te realiseren waar studenten konden werken om zo, zonder steun van ouders of overheid, alsnog te kunnen afstuderen. Het was de start van een carrière in de theaterbranche in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Krijn’s vader was in Rotterdam eigenaar van ’t Venster, Calypso en Cinerama. Bioscopen waren in die tijd vooral familiebedrijven. “De bioscoopboeren noemden wij dat; de Tuschinskies, de Gerstanowitschen, de Wolffs en wij. Opvolgers van de kermisklanten.” Hij glimlacht om zijn historische analyse.

1964_Sonneveld NL-Ha NA_2.24.01.04_0_915-9470

Lange rijen wachtende mensen voor de La Mar theater voor een avondje Wim Sonneveld, jan 1964

Joop van Bilsen, Anefo, Nationaal Archief

Drie Wimmen

Vader Meerburg was behalve eigenaar ook programmeur van Corso en Luxor. Hij werkte samen met Willy Hofman die directeur van de Dienst Gemeentlijke Kunstgebouwen was. Daar vielen De Doelen, Luxor Theater en de Grote Schouwburg onder. Krijn herinnert zich nog voorstellingen in deze gebouwen die hij als kind bijwoonde. Theaters op Zuid hoorden daar niet bij. “Op Zuid kwam je niet. Pas toen de metro kwam veranderde dat.” Leuke herinneringen heeft Krijn aan de periode dat zijn vader met diezelfde Willy Hofman musicals ging produceren. “Mijn vader was ook directeur van het De La Mar Theater in Amsterdam. En die hadden de drie Wimmen!” Krijn kijkt nog steeds een beetje trots. “Wim Sonneveld, Wim Kan en Wim Ibo.”

1945_Kriterion_Amsterdam_operateur NL-Ha NA_2.24.01.03_0_901-0406

Filmoperateur in het door Piet Meerburg opgerichte Kriterion Studententheater te Amsterdam.

Theo van Haren Noman, Anefo, Nationaal Archief

Filmoperateur

Ondanks het feit dat zijn vader succesvol in de theaterwereld was, had Krijn een andere toekomst voor ogen. Na de HBS kwam Krijn terecht in een dienstweigeraarsprocedure maar werd uiteindelijk afgekeurd. “Mijn oom was directeur bij De Doelen. Ik mocht daar komen werken.” Hij leerde intussen het vak van filmoperateur en werkte in meerdere bioscopen. “In het bruine Handboek stond de hele volgorde en wijze van handelingen; hoe ver je een gordijn opendeed en wanneer de zaallichten uit of aan moesten. Operateur zijn bekoorde hem niet genoeg. Hij ging studeren aan de sociale academie en begon zijn eigen grafische bedrijf voor culturele instellingen in Rotterdam. De opkomst van de video, tevens de teloorgang van de bioscopen in de vroege jaren tachtig maakte de branche van zijn vader niet aantrekkelijker. “Nee, ik had geen behoefte om in de voetsporen van mijn vader te treden.” Toch liep het anders.

Multiplexen

Toen cineast Louis van Gasteren in 1983 een film had gemaakt over de na-oorlogse componist Hans van Sweeden: ‘Hans, het leven voor de dood’, klopte deze bij Piet aan. Waarop Piet zijn zoon vroeg: “Krijn, wil jij deze film niet distribueren?” Krijn zei ja en de film werd een groot succes. De film daarna was Kiss of the spider woman, werd ook een enorm succes. Het zaadje was geplant en Krijn werd art-house kenner, exploitant en distributeur in Den Haag en Amsterdam. Deze expertise was in 2000 voor Pathé, inmiddels de grootste bioscoopexploitant in Rotterdam, de reden om Krijn te vragen of hij het relatief kleine Cinerama wilde exploiteren. Pathé wilde zich richten op het ‘multiplexen’. Grote bioscopen met minimaal zes zalen, grote stoelen en popcorn, naar Amerikaans voorbeeld. Krijn nam Cinerama over en de Meerburg-cirkel was rond. Krijn werd met Cinerama in bezit, net als zijn vader, ‘bioscoopboer’ in de drie grote steden.

1970_Cinerama_NL-Ha NA_2.24.01.05_0_923-8547.tjp

Premiere van de film "Cromwell" in Rotterdam [Opdracht Columbia Film], 17 september 1970

Rob Mieremet, Anefo, Nationaal Archief

Cinerama's glorie

Krijn kent de verhalen van het Cinerama uit de jaren ‘60. “Er waren drie geluidscabines en drie projectiecabines om de speciale Cinerama-breedbeeldfilms te draaien. Mensen kwamen van heinde en verre.” Door het beperkte titelaanbod liepen de bezoekersaantallen al na enkele jaren terug. “The Vanishing Point uit 1971 werd nog wel gedraaid in de grote zaal met inmiddels één groot scherm, maar was een gewone film.” Bij de overname door zijn vader in 1978 werd de bioscoop verbouwd. “Het plafond bij de entree werd verlaagd omdat ze zaal vier erin hebben gehangen. Best jammer.” Al was de ingreep logisch, meer zalen zorgden voor een optimale exploitatie. “Het was een beetje vergane glorie in die tijd.” Zelf verbouwde hij de bioscoop ook en ontdekte een goed verborgen kunstwerk. “We tikten tegen een muurtje aan. “Hee, het is hol.” zei ik. Zaten er paneelkunstwerken achter die helemaal goed gebleven waren!” Niet alles is teruggeplaatst in Cinerama, enkele panelen zijn naar de Schiecentrale gegaan.

Sluipweggetjes

Zijn eerste bezoek aan Cinerama dateert uit 1969. Op zijn Vespa bracht hij spullen van Amsterdam naar Rotterdam. Het was laat geworden en Krijn belandde in de studentenkroeg Quasimodo onder de bioscoop. “Ik heb daar de nacht doorgebracht om de volgende ochtend weer terug te gaan.” Hij lacht. Toen hij eigenaar van Cinerama werd heeft hij nog bekeken of er een nachtclub van gemaakt kon worden. “Het was te ingewikkeld.” Hij memoreert de onzichtbare kant van het gebouw. “Links zit de ingang naar een trappetje. Dat leidt naar gigantische kelderruimte. En er zat zelfs een dienstwoning, maar daar woonde niemand meer.” Hij houdt van sluipweggetjes, zoals ook in het Tuschinski Theater. “Dat blijft toch de mooiste bioscoop. Helemaal bovenin zit een kantoortje met een rond raampje. Daar kijk je over de hele foyer uit. Zo prachtig.”

Krijn Meerburg2

Krijn bij het mozaïek van Teus van de Berg bij de ingang van Cinerama

Bioscooparchitecten bestaan niet

Krijn kijkt ook vanuit een logistiek oogpunt naar bioscopen. “Architecten en bioscopen gingen vaak niet goed samen.” Toch ziet Krijn goede voorbeelden zoals LantarenVenster, Eye in Amsterdam en Focus in Arnhem. Deze gebouwen herbergen meerdere functies wat bijdraagt aan hun succes. De architecten hebben nagedacht over de functie van het gebouw in het gebied en wat het aantrekkelijk maakt voor bezoekers. Tegelijkertijd zijn theaters afhankelijk van de stad geeft Krijn aan: “Het is belangrijk om als stad het cultureel klimaat te verbeteren. Een stad moet willen investeren in cultuur. Zoals op Zuid gebeurt.” Het enige nadeel van Rotterdam is dat alles zo versnipperd voelt. “In Amsterdam fiets je weliswaar bijna een uur om van oost naar west te komen, maar ervaar je dat niet zo.” Die ruimte in Rotterdam voelde vroeger wel prettig, want je kon overal parkeren, maar nu slibt het dicht volgens Krijn. Het IFFR heeft er niet onder te lijden, de vele bezoekers lopen of nemen de metro om op Zuid te komen. Zo ook Krijn, op weg naar de volgende film.

Het verhaal van
Krijn Meerburg
Onderwerpen
Verhalen
Buurten
Baankwartier